Verborgen rekening: herverdeling van mensen zonder kinderen naar gezinnen met kinderen, blijft onder de radar
België houdt van grote transferdiscussies, maar mist vaak de herverdeling die het dichtst bij huis ligt: die van mensen zonder kinderen naar gezinnen met kinderen. Die steun is versnipperd over fiscale uitgaven, toeslagen en regionale regelingen, waardoor niemand het totaal nog ziet — laat staan er een volwassen debat over voert. Nochtans gaat het om minstens 13,2 miljard euro per jaar. Lowie Cnockaert van de Vrijdaggroep pleit voor één zichtbare, regionaal georganiseerde steun per kind.
Een exact bedrag kleven op de totale steun is niet eenvoudig. Toch waag ik een (noodgedwongen onvolledige) raming. Eerst de gezinsbijslagen. Over de drie gewesten samen gaat het om ongeveer 8,6 miljard euro per jaar: 4,6 miljard in Vlaanderen, 2,8 miljard in Wallonië en 1,2 miljard in Brussel.
Daarnaast is er het fiscale luik: de toeslagen op de belastingvrije som (BVS) voor kinderen ten laste. Via een parlementaire vraag weten we dat er bijna 2,9 miljoen kinderen ten laste zijn. Op basis van cijfers van Statistiek Vlaanderen over de verdeling van het aantal kinderen per gezin — die we bij gebrek aan betere data veralgemenen voor België — ramen we de kostprijs van deze toeslagen op ongeveer 4,6 miljard euro. Alleen al deze twee grote posten brengen ons dus op 13,2 miljard euro.
En dan hebben we het nog niet over de vele andere voordelen. Er zijn ook andere regionale instrumenten zoals de geboortetoeslag, de schooltoeslag, de kinderopvangtoeslag of in Vlaanderen een korting op de onroerende voorheffing voor gezinnen met meer dan twee kinderen. Federaal is er bovendien ook nog de belastingvermindering voor kinderopvangkosten, goed voor bijna 200 miljoen euro minder belastingen per jaar. Het lijstje is lang, versnipperd en vermoedelijk zelfs onvolledig.
Een belangrijke herverdeling — van mensen zonder kinderen naar gezinnen met kinderen — loopt onder de radar, verstopt in tientallen maatregelen en verspreid over verschillende overheden.
Het probleem: onzichtbaarheid
Wie vandaag een debat wil voeren over herverdeling, kijkt naar de grote blokken in de sociale zekerheid of naar communautaire geldstromen.
Dat debat wordt de komende jaren alleen maar urgenter. Demografie en voorkeuren schuiven op: in Vlaanderen had in 2000 nog 43% van de huishoudens één of meer kinderen; in 2025 is dat nog 36%. Tegelijk geeft een groeiende groep dertigers aan dat ze geen kinderen (meer) wil.
Sommige partijen lezen daarin een signaal dat de overheid harder moet bijsturen — en dat betekent in de praktijk: méér transfers richting gezinnen. Nochtans is er geen enkel bewijs voorhanden dat regeringsbeleid rechtstreeks de voortplanting kan sturen.
Ook de fiscale hervorming kan het voordeel verder opdrijven. Door een verhoging van de BVS en een verhoging van de toeslagen voor het eerste en het tweede kind zal de transfer in de personenbelasting tussen met kinderen en zonder kinderen alleen maar verhogen. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat partijen die inzetten op gezinsfiscaliteit graag werken met de BVS en haar toeslagen: het is een krachtig — maar weinig zichtbaar — instrument.
Ten slotte mag ook het communautaire gehalte niet onderschat worden. De regionale overheden zijn verantwoordelijk voor persoonsgebonden bevoegdheden en organiseren de gezinsbijslagen, terwijl op federaal niveau belangrijke fiscale uitgaven voor kinderen zitten. Les Engagés zag dat spanningsveld en stelde voor om de fiscale vrijstelling voor kinderen te schrappen en de regionale bijslagen te verhogen.
Eén zichtbare transfer
Als we vandaag minstens 13,2 miljard euro laten circuleren, mogen we eerlijk vragen: is een bedrag op de rekening van ouders de beste bestemming? Ik pleit ervoor om de gezinssteun eenvoudiger én eerlijker te maken: organiseer ze regionaal en maak er één transparant bedrag per kind van, in plaats van een kluwen aan fiscale voordelen, kortingen en versnipperde toeslagen.
Maar zelfs dan zou ik een deel van die middelen niet automatisch als cash of fiscale ruimte aan ouders geven. We halen waarschijnlijk meer maatschappelijke opbrengst door ze rechtstreeks te investeren in kinderopvang en onderwijs. Dat helpt gezinnen onmiddellijk, maar rendeert ook breder: betaalbare opvang en sterk onderwijs maken het makkelijker om te blijven werken, verhogen de werkzaamheid en verbreden de belastingbasis — wat op termijn de druk op belastingen en bijdragen kan temperen.
De voorspelbare tegenwerping is natuurlijk: "Het zijn de kinderen van vandaag die later onze pensioenen betalen en de zorg bemannen — ook die van kinderlozen."
Akkoord. Ik pleit dan ook niet tegen een transfer. Ik pleit voor één ding: maak ze zichtbaar, en investeer dat geld waar het het grootst mogelijk maatschappelijk rendement haalt.