Vrijwilligers met voedseldoos — Photo by RDNE Stock project on Pexels

De oncomfortabele transitie van een middenveld in beweging

Vzw Boven de Wolken koppelt fotografen aan ouders die net afscheid moesten nemen van hun kind. Sterrenkinderen, noemen ze dat. Het is het soort initiatief waarvan je niet wist dat het bestond, tot je het zelf nodig hebt. Dan is het onmisbaar. Het Belgisch middenveld zit vol met zulke organisaties. Maar het heeft vandaag vaak moeite om ze te financieren zonder de staat.

Achter die organisaties staan mensen: de coördinator die vrijdagavond laat nog mails beantwoordt, de vrijwilliger die week na week opdaagt, de bestuurder die onbezoldigd mee de koers bepaalt. Maar dat weefsel is vandaag kwetsbaar, niet alleen omdat de overheid bespaart.

De Belgische vzw-sector haalt vandaag de grote meerderheid van haar middelen uit subsidies. Wie in de bedrijfswereld al zijn eieren in één mand legt, krijgt te horen dat dat slecht bestuur is. Diezelfde wetmatigheid geldt ook voor non-profits, los van wat de overheid doet of laat. Een eenzijdige financieringsmix is fragiel per definitie. En kleine organisaties zijn bijzonder kwetsbaar: één project dat wegvalt, één afrekening die laat komt, en de werking wankelt. Grote organisaties dragen een ander risico: in slaap gewiegd door decennia van structurele zekerheid, te laat of te log om bij te sturen wanneer de wereld onder hun voeten beweegt.

De schrik voor woorden als ondernemerschap of businessmodel zit nog diep. Elders in de wereld tonen organisaties echter al jaren hoe het anders kan. Fryshuset in Stockholm, een voormalige koelopslagplaats, vandaag een van Zweden’s grootste jeugdorganisaties, draait op bedrijfspartnerschappen en een eigen ledennetwerk, met beperkte publieke financiering. Een keuze die de Belgische sector grotendeels nog niet heeft gemaakt.

België heeft alternatieven, maar die zijn vaak te weinig en te schuchter. Vzw’s die eigen inkomsten opbouwen, sociale ondernemerschapslogica inbedden, professioneel aan fondsenwerving doen: ze bestaan, maar blijven uitzonderingen. Structurele bedrijfspartnerschappen die verder gaan dan eenmalige sponsoring, licentie- of royalty-inkomsten op eigen expertise of merken, of een sociale onderneming als dochterstructuur die winst herinvesteert in de missie. Denk aan organisaties als Streetwise, dat jongeren uit kwetsbare situaties via horeca en catering begeleidt naar duurzame tewerkstelling, en dat model financieel heeft leren dragen zonder structurele overheidsafhankelijkheid. Die transitie is bezig, maar zoals elke transitie is die vaak rommelig en oncomfortabel.

Daarin schuilt een dubbele uitdaging. Nieuwe inkomstenmodellen vragen moed, maar ze vragen ook helderheid: over welke impact een organisatie precies wil maken, en hoe ze dat aantoonbaar maakt. Wie impact helder kan vertellen én bewijzen, staat sterker. Wie daarin achterblijft, wordt kwetsbaar, niet alleen financieel, maar ook politiek. Want een sector die niet kan aantonen wat hij waard is, verliest vroeg of laat ook de ruimte om te bestaan.

De overheid heeft hier zeker een rol: minder administratieve planlast, meer strategisch partnerschap. Maar de sector die wacht op betere subsidievoorwaarden voor hij zichzelf heruitvindt, wacht te lang.

Dat het middenveld zo sterk werd als het is, is geen toeval: het groeide in de negentiende en twintigste eeuw als tegenwicht en complementair aan een staat die zelf nog vorm aan het krijgen was. Katholieke zuilen, socialistische mutualiteiten, liberale verenigingen: ze bouwden scholen, ziekenhuizen en opvang toen de overheid dat niet deed of niet kon. Die geschiedenis verklaart de subsidieafhankelijkheid, maar ze rechtvaardigt haar niet meer.

Over vier jaar wordt België tweehonderd. Een land dat een nieuw verhaal over zichzelf wil schrijven, heeft een middenveld nodig dat aan dat verhaal meeschrijft. Als stem, als tegenwicht, als sociaal weefsel dat de gaten dicht waar geen beleidsdocument geraakt. Vzw Boven de Wolken bestaat omdat iemand het initiatief nam en niet omdat er een subsidielijn voor was. Dat is precies de vindingrijkheid die de sector nu op zichzelf moet toepassen. Sociale impact maken volstaat niet meer. Je moet haar ook kunnen dragen, financieren en bewijzen. Wie dat begrijpt, schrijft mee aan het verhaal van België na 2030.