Skyline van Brussel — Photo by Peter Pastijn on Pexels

België 2030 — Wie we morgen zijn

Over vier jaar wordt België tweehonderd. Dat is op zich al een prestatie. Een land dat nooit bedoeld was om lang te bestaan, dat meermaals werd afgeschreven en chronisch worstelt met zichzelf, bereikt een leeftijd die menig imperium niet gegund was. De vraag is niet of we dat moeten vieren. Dat moeten we zeker en vast. We zijn een land dat tegen alle verwachtingen in overleefde, sterke internationale relaties uitbouwde en zijn eigen geschiedenis vulde met heldenverhalen, tradities en folklore. We bouwden ook een sterke, open economie uit en blinken uit in innovatie. Genoeg om trots op te zijn dus, maar die trots dragen we zelden uit, zeker in vergelijking met het buitenland. De vraag die zich opdringt is dan ook niet of we trotser mogen zijn op wat we bereikt hebben, maar wie we willen worden na die tweehonderdste verjaardag.

Het hebben van een groter verhaal als bindmiddel van de samenleving is cruciaal voor een natie. Het is de conditio sine qua non van elke vorm van patriottisme. België heeft zo’n verhaal. Wat vaak vergeten wordt, is dat het verhaal van wie we zijn als land voortdurend in beweging is. Wat is het plan voor ons land? Wie willen we zijn, niet alleen morgen maar ook binnen decennia? Die tijdshorizon komt zelden aan bod in het discours van beleidsmakers. Toch is het net de lange termijn die bepalend is voor het voortbestaan van een samenleving.

Want de uitdagingen zijn reëel. De vergrijzing zet ons sociaal model onder druk. De overheidsschuld beperkt onze manoeuvreerruimte. De geopolitieke kaarten worden herschikt. De arbeidsmarkt kampt tegelijk met krapte en mismatch. De energietransitie vraagt investeringen die we blijven uitstellen. En ondertussen groeit bij veel burgers het gevoel dat het systeem niet langer voor hen werkt.

Dit zijn de contouren van een land dat dringend een gesprek met zichzelf moet voeren. Niet alleen een zoveelste debat over structuren, bevoegdheden of transfers. Maar ook een fundamenteler gesprek. Over identiteit. Over wat dit land wil zijn en waarvoor het wil staan. Over welke rol we willen spelen op internationale fora, waar onze rode lijnen liggen en wie we als bondgenoot of tegenstander beschouwen. Het vraagt strategisch beleid, met de lange termijn in het vizier. En het vraagt dat we verder gaan dan het optellen van Vlaamse, Waalse en Brusselse belangen.

Wat België mist, zijn niet alleen technische aanpassingen. Wat ontbreekt, is een fundamenteel debat over hoe de veranderde omstandigheden onze identiteit als land hertekenen.

Rousseau noemde de basis van elke samenleving het contrat social: de stilzwijgende afspraak dat we iets delen wat groter is dan ons eigenbelang. Maar een sociaal contract zweeft niet in het luchtledige. Het heeft een bedding nodig. Die bedding is welvaart. Niet als doel op zich, maar als voorwaarde voor alles wat we collectief waardevol vinden: onderwijs, gezondheidszorg, sociale bescherming en een goed functionerende democratie. Zonder economische dynamiek wordt solidariteit een belofte zonder dekking.

België begreep dat in 1944, toen het Sociaal Pact de fundamenten legde voor een van de meest genereuze welvaartsstaten ter wereld. Dat was geen toeval, maar strategie: welvaartscreatie als motor, solidariteit als bindmiddel.

Vandaag staat dat model onder druk, in een tijd van geopolitieke onzekerheid en beginnende de-globalisering.

De reflex is dan om te spreken over hervormingen. Over efficiëntie, besparingen en staatshervorming. Allemaal nodig. Maar onvoldoende. Over wat onze nieuwe strategische positie moet zijn. Over een identiteit die verder reikt dan compromiscultuur en institutionele complexiteit. Over een antwoord op de vraag die we al te lang uit de weg gaan: wat bindt ons, voorbij de structuren?

Een land dat tweehonderd wordt, verdient meer dan een feest. Het verdient een nieuw verhaal over zichzelf.