Aandachtspollutie treft iedereen
In de laatste jaren woedt er een steeds actiever debat over de regulering van sociale media voor jongeren. Die maatschappelijke bezorgdheid is allang geen niche meer. Jonathan Haidt’s invloedrijke boek The Anxious Generation overtuigde enkele jaren geleden het brede publiek van de directe link tussen sociale media en de mentale gezondheidscrisis bij jongeren. In maart oordeelde een Amerikaanse rechtbank ook dat Meta en YouTube verantwoordelijk zijn voor de mentale gezondheidsproblemen veroorzaakt door hun platforms. Op vlak van beleid voerde Australië in 2024 een spraakmakende wet in die sociale media verbiedt onder de 16 jaar, terwijl ook minister Caroline Gennez bij ons pleit voor strenger toezicht.
Dat de aandacht vandaag in de eerste plaats naar jongeren gaat, is volkomen begrijpelijk. Zij zijn het kwetsbaarst en beschikken over minder middelen om zich te beschermen. Maar wie sociale media uitsluitend als een jeugdprobleem benadert, mist het bredere maatschappelijke vraagstuk: op verslaving gerichte sociale platformen ondermijnen ons allemaal, stiller en dieper dan we beseffen.
Een van de meest sluipende gevolgen is aandachtspollutie. Aandachtspollutie refereert naar de systematische aantasting van ons collectief vermogen tot concentratie ten gevolge van een overaanbod aan digitale prikkels. Zoals andere vormen van vervuiling tast ze langzaam onze leefomgeving aan, waardoor de hele maatschappij de kosten draagt. Ze verzwakt onze sociale interacties, fragmenteert ons denkvermogen en verhoogt de kans op psychologische problemen.
We kennen het allemaal. Op café met vrienden checken we compulsief onze smartphone in plaats van volledig aanwezig te zijn in het gesprek. Zelfs korte wachttijden, in de winkel of de lift, voelen stillaan ondraaglijk zonder scherm. Ik merk het ook bij mezelf: mijn aandachtsspanne is (nóg) korter dan tien jaar geleden en diepere concentratie vergt meer moeite. Zonder actieve tegenmaatregelen — zoals notificaties uitzetten, apps timen of leesdoelen stellen — zou ik nog meer slachtoffer worden van de algoritmen.
De maatschappelijke rekening ligt al op tafel. De Financial Times rapporteerde dat 49% van de Britse volwassenen het gevoel hebben dat hun aandachtsspanne korter is dan voorheen. Gloria Marks van UC Irvine documenteerde dat de gemiddelde aandachtsspanne voor individuele taken sinds 2004 daalde van 2,4 minuten naar slechts 47 seconden. Onderzoek van de Harvard Business School bevestigt dit door aan te tonen dat de prijs om de aandacht van consumenten te vangen de afgelopen twintig jaar verzevenvoudigde. Sommige consequenties van onze verzwakkende mentale weerbaarheid, zoals burn-out en verhoogde ziektekosten, zijn relatief makkelijk te vatten. Op andere consequenties kunnen we iets moeilijker onze vinger leggen. Wat is de echte kost van onze fragmenterende sociale interacties?
Het is wel duidelijk dat de kosten maatschappelijk worden gedragen, maar dat de winsten blijven plakken bij platformen die de commercialisering van onze aandacht tot een exacte wetenschap hebben verheven.
Als we dit willen veranderen, zie ik twee opties. De eerste optie is inzetten op striktere regulering om de maatschappelijke kosten te beperken. Zo kunnen we inzetten op een verbod op de elementen die social media momenteel zo verslavend maken, zoals de infinite scroll, push-notificatie en autoplay van video’s op platformen zoals TikTok. Zulke regulering zal ongetwijfeld helpen, maar weerhoudt platformen er uiteraard niet van om steeds nieuwe verslavende features te ontwikkelen om bestaande reguleringen te ondermijnen.
Een tweede optie is om het probleem expliciet te herdefiniëren als één van externe kosten. Sociale media en haar aandachtspollutie dus benaderen als een fabriek die een rivier vervuilt maar de rekening naar de maatschappij doorschuift. Zelfs de meest overheidsschuwe economen geloven doorgaans dat er een elegante oplossing bestaat om dit soort probleem aan te pakken: de pigouviaanse belasting. Het principe kennen we al van CO₂-uitstoot, tabak en alcohol. Een extra accijns op de consumptie of productie van bepaalde goederen of diensten om maatschappelijke kosten die niet in de marktprijs vervat zitten, te dekken.
Zo leggen we rokers een extra belasting op bij de aankoop van sigaretten of vragen we vervuilende fabrieken om te betalen voor hun CO₂-uitstoot. We kunnen techreuzen een gelijkaardige heffing opleggen op basis van de tijd die hun gebruikers doomscrollend op hun platformen doorbrengen. Hiermee worden de externe kosten van aandachtspollutie eindelijk zichtbaar in het bedrijfsmodel van pakweg Meta en TikTok. Hoe langer een platform erin slaagt onze aandacht vast te houden, hoe hoger de belasting en hoe groter de prikkel om algoritmes anders te ontwikkelen. De opbrengsten kunnen worden ingezet voor mentale gezondheidszorg, digitale geletterdheid en publieke ruimtes waar aandacht niet wordt uitgebuit maar beschermd.
‘Makkelijker gezegd dan gedaan’, hoor ik u zeggen. Eén concrete optie is dat wanneer een gebruiker een bepaalde tijdsdrempel overschrijdt, het platform een heffing betaalt die oploopt met elke extra seconde schermtijd. Hierbij kunnen we, zoals we reeds bij andere wetgeving zoals de Digital Markets Act, steunen op een combinatie van zelfrapportering door techspelers én regelmatige audits. We kunnen de heffing bovendien ook moduleren per platform, indien we bijvoorbeeld denken dat YouTube toch meer maatschappelijke waarde heeft dan, pakweg, TikTok. De Belgische overheid leunt hiervoor natuurlijk best op het Europese niveau. De EU heeft niet alleen de meeste ervaring met het beteugelen van grote platformen, maar Europese harmonisatie zal de implementatie ook ten goede komen.
Hoe we het probleem ook aanpakken, het is tijd dat we grondiger naar de regulering van sociale media gaan kijken — niet alleen bij jongeren maar voor iedereen. Het is aantrekkelijk te denken dat wij, volwassenen, wél opgewassen zijn tegen de subtiele invloed die sociale media op ons uitoefenen. Maar zoals vissen het water waarin ze zwemmen niet opmerken, zien ook wij de impact van permanente prikkels nauwelijks nog. Een belasting op aandachtspollutie is daarom noodzakelijk. Ze kan ons onze vrijheid terugkopen — en alleen al daarom verdient ze onze aandacht.