Ondernemen en overheid

Minder overheid als voorwaarde voor meer groei

Over vier jaar viert België zijn tweehonderdste verjaardag. Maar wie na de feestnacht de rekening bekijkt, dreigt met een stevige kater wakker te worden. Volgens het Rekenhof kan de tot nog toe theoretische rentesneeuwbal in 2030 en 2031 werkelijkheid worden. Dat risico ontstaat wanneer de economische groei vertraagt terwijl de rente stijgt. België dreigt dan terecht te komen in een situatie waarin nieuwe schulden steeds meer dienen om oude schulden en rentelasten te financieren.

Naast broodnodige hervormingen wijzen steeds meer economen op het belang van economische groei. De politieke reflex naar die economische groei is onbestaande. Te vaak wordt werken, ondernemen en investeren financieel onaantrekkelijk gemaakt. En wat minder aantrekkelijk wordt, gebeurt nu eenmaal minder. Dat resulteert finaal in minder economische groei. De Nationale Bank van België kwam deze week dan ook voor de eerste keer in een lange tijd tot de conclusie dat de Belgische economie niet meer groeit.

Los van de klassieke discussie over belastingen of besparingen, heeft onze economische groei vooral gebaat bij een ernstige denkoefening over de plaats van de overheid in onze samenleving en onze economie.

Een sterke overheid is niet noodzakelijk een overheid die overal aanwezig is.

Een sterke overheid voert vooral haar kerntaken goed uit en kent tegelijk haar eigen grenzen. Precies dat laatste wordt te vaak vergeten.

Vandaag is het idee dominant dat de overheid elk probleem moet oplossen. Voor elk maatschappelijk probleem wordt een nieuwe overheidsmaatregel bedacht. Elke prijsstijging vraagt om compensatie, elke economische tegenvaller om subsidies en elk risico om bijkomende regels. De vraag of burgers, ondernemingen en de markt zelf voor aanpassing kunnen zorgen, wordt nog zelden gesteld.

De reactie op stijgende brandstofprijzen illustreerde die etatistische reflex. Door geopolitieke spanningen daalt het aanbod en stijgen de prijzen. Maar in plaats van dat prijssignaal zijn werk te laten doen, volgen steunmaatregelen, fiscale ingrepen en extra administratieve lasten ten nadele van ondernemers om die consumptie zoveel mogelijk op peil te houden. Nochtans suggereert onderzoek van de KU Leuven dat bijvoorbeeld het afschaffen van de maximumprijzen aan de pomp, via meer concurrentie, tot lagere gemiddelde prijzen kan leiden. Niet overheidssturing, maar marktwerking had hier een deel van de oplossing kunnen bieden. Of anders gezegd: niet méér overheid, maar minder. Dat had de overheid minder uitgaven gekost én op termijn voor economische groei en dus meer inkomsten gezorgd.

Het etatisme is geen links-rechts verhaal. Dezelfde reflex zien we voor bijvoorbeeld het verdedigen van de omvangrijke bedrijfssubsidies. Volgens cijfers van econoom Leo Sleuwaegen besteedt België bijna 4 procent van het bruto binnenlands product aan ondernemingssteun, tegenover ongeveer 2 procent in Nederland. Toch presteert Nederland beter op het vlak van groei en concurrentiekracht.

Subsidies garanderen geen sterke economie. Ze kosten belastinggeld, lokken lobbywerk uit en bevoordelen vaak bedrijven die hun weg kennen in de subsidiemolen. Maar er is een fundamenteler probleem. Van een overheid verwachten we terecht dat ze voorzichtig omspringt met publiek geld. Subsidies gaan daarom sneller naar projecten waarvan de slaagkans vooraf aannemelijk en verdedigbaar is. Net daar wringt het met innovatie. Radicale ideeën, nieuwe technologieën en onbekende businessmodellen zijn per definitie risicovoller en moeilijker vooraf te beoordelen. Toch zijn het vaak precies zulke ondernemingen die nieuwe markten creëren en economische groei aandrijven. De overheid is daarom slecht geplaatst om de winnaars van morgen te selecteren. Groei ontstaat wanneer ondernemers en investeerders zelf risico kunnen nemen, experimenteren en ook mogen mislukken. Of anders gezegd: niet méér overheid, maar minder.

Dus nee, de overheid hoeft niet altijd tussen te komen. Ze kan er ook voor kiezen om ruimte te maken voor meer marktwerking. De politieke reflex moet daarom worden omgekeerd. Bij elk probleem moet niet langer eerst worden gevraagd welke nieuwe maatregel, subsidie of overheidsinstelling nodig is, maar welke hindernissen de overheid zelf kan wegnemen en waar zij opnieuw ruimte kan geven aan ondernemers en de markt.

Of ondernemers in 2030 mee zullen vieren, hangt af van de keuzes die we vandaag maken. Blijven we geloven dat elk probleem om meer overheid vraagt, dan dreigt het jubileum uit te monden in een historische schuldenkater. Durven we opnieuw ruimte te geven aan ondernemers die investeren, innoveren en groei creëren, dan kan de tweehonderdste verjaardag van België ook het begin van economisch herstel markeren.