donderdag 04 januari 2018

Artsen in opleiding werken elke dag samen met God-de-Vader

De eindejaarsperiode is voor velen een tijd waarin religie en spiritualiteit een bijzondere plaats krijgen.

Sam Proesmans is arts, studeerde volksgezondheid aan Columbia University in New York en is lid van de Vrijdaggroep. Eveneens verschenen op Knack.be op 29 december 2017 en op Mediquality op 3 januari 2018.

De eindejaarsperiode is voor velen een tijd waarin religie en spiritualiteit een bijzondere plaats krijgen. Niet zo bij mij, ik werk namelijk elke dag samen met God-de-Vader - al vier jaar lang, als arts specialist-in-opleiding na een initiële zeven jaar geneeskunde. Een groot deel van mijn supervisors acht zich superieur aan mij. Op professioneel vlak zijn ze dat ook, omdat hun medische kennis en ervaring die van mij veruit overtreffen. Ik deins er niet voor terug dat te erkennen en hen om advies te vragen; ik ben immers nog in opleiding.

Velen lijken echter te denken dat ze ook op persoonlijk vlak, als mens dus, superieur zijn. Is het werkelijk, anno 2017, gerechtvaardigd dat een supervisor je scheef bekijkt als je hem of haar (per ongeluk) tutoyeert? Deze hiërarchie, aangevuld met een mentaliteit van achterbakse kritiek en anonieme feedback, werpt barrières op in de geneeskunde die een vlotte samenwerking tussen artsen onderling in de weg staat. Hiërarchie is tot op zekere hoogte belangrijk om verantwoordelijkheden duidelijk af te bakenen, maar dat kan evengoed in een cultuur waarin gelijkwaardigheid en face-to-face feedback voorop staan - zoals het geval is in Nederland, Scandinavië en de VS.

Het leven van een assistent is uiteraard niet enkel kommer en kwel. Het systeem evolueert in gunstige zin: de opleiding is geprofessionaliseerd, er zijn formele momenten van evaluatie en er zijn richtlijnen die gevolgd worden betreffende de werkbelasting en werkuren. Of die in werkelijkheid ook gevolgd worden, is een ander paar mouwen. Ik herinner me nog erg levendig de discussie met een supervisor twee jaar geleden: ik had net een shift van vijfentwintig uren op intensieve zorgen achter de kiezen. Het was tweede kerstdag. Of ik de gewerkte feestdag zou kunnen recupereren? Hoongelach was het antwoord: 'Maar Sam, je bent maar assistent, waar kom jij nu mee af?!'.

Ik wijk af. Het punt is: Zulke vijfentwintiguurshiften houden potentieel levensbedreigende consequenties in voor de patiënt én de zorgverlener zelf. Vrachtwagenchauffeurs worden toch ook verplicht pauze te nemen?

Een onmogelijk wachtrooster, de werkdruk, het niet-goedkeuren van een onderbreking, maar ook het gebrek aan empathie en feedback van de supervisie worden als voornaamste redenen naar voren geschoven voor het stopzetten van de opleiding. Dat is niet alleen jammer voor de geïnvesteerde tijd en energie van de persoon in kwestie, maar tegelijkertijd betekent dit ook dat de maatschappij jarenlang tienduizenden euro's onderwijssubsidies door het raam heeft gegooid.

De medische wereld heeft nood aan meer menselijkheid en verbindende communicatie in het bijzonder tussen artsen onderling. Het zou tegelijk de patiënt ten goede komen en de epidemie van burn-out en depressie bij artsen helpen keren. Een shift zou maximaal twaalf uur mogen duren. Er moet een centrale vzw opgericht worden - analoog aan het systeem van de huisartsen-in-opleiding - die de lonen van de specialisten-in-opleiding betaalt en toeziet op de kwaliteit van de opleiding. Nu is er amper kwaliteitscontrole en hangen assistenten (financieel) af van de goodwill van de stagemeester of het ziekenhuis waar ze terecht komen.

Zulke maatregelen zouden ongetwijfeld hun impact hebben, al zal het toch ook afwachten zijn tot God-de-Vader van de spreekwoordelijk hiërarchische ladder afdaalt.