donderdag 08 november 2018

Een mank begrotingsbeleid, daarom slaagt de politiek er niet meer in onze levens te veranderen

Het is een vraag die veel mensen tegenwoordig bezighoudt: wat vermag de politiek nog?

Paul Dermine doet onderzoek over Europees recht aan de Universiteit van Maastricht en is lid van de Vrijdaggroep. Eveneens verschenen op knack.be op 9 november 2018.

Het is een vraag die veel mensen tegenwoordig bezighoudt: wat vermag de politiek nog? In België en andere Europese landen volgen de regeringen elkaar op maar verandert er weinig of niets aan het beleid. De overheid kan uiteraard beheren en bewijst dat elke dag, met wisselend succes. De treinen rijden, de ziekenhuizen verzorgen, de pensioenen worden uitgekeerd, de rechtbanken oordelen… Maar bezit de politiek nog het reële vermogen om ons leven te veranderen? De politiek kiest een doel en leidt de samenleving er naar toe, dat is de essentie van haar werk. Bestaat die transformerende ambitie vandaag nog echt?

Het naoorlogse België heeft ons een volledig en coherent sociale zekerheidsstelsel geschonken, een toegankelijk onderwijs van hoge kwaliteit, een van de beste ziekenhuisnetten ter wereld. Maar wat waren de grote realisaties van de jongste decennia? We kunnen er niet omheen dat, afgezien van een reeks onweerlegbare ethische en maatschappelijke successen (het homohuwelijk, euthanasie, de gelijkheid van mannen en vrouwen, …), de balans eerder bescheiden oogt.

Deze inertie, deze vorm van machteloosheid van de politiek, is onder meer ingegeven door de bestuurlijke complexiteit van moderne samenlevingen en de verbrokkeling van de traditionele ideologische tegenstellingen. Bovendien zijn de meeste grote uitdagingen van onze tijd in essentie supranationaal en overstijgen ze het strikte kader van de natiestaat. Maar eigenlijk ligt de belangrijkste reden van de machteloosheid elders. Zelfs als ze dromen zouden hebben, zouden de politici van vandaag waarschijnlijk niet over de middelen beschikken om ze waar te maken, zo krap is de budgettaire speelruime van de overheid en zo pover zijn haar investeringsmiddelen. De bron van het onvermogen is dus op de eerste plaats financieel. Zonder geld kan men zich geen ambities voor de gemeenschap veroorloven.

Hoe zijn onze democratieën in deze situatie beland?

Om te beginnen is er het feit dat de overgrote meerderheid van het overheidsgeld vandaag moet dienen om het bestaande staatsapparaat draaiend te houden. Men verzekert de werking van de openbare diensten, eerbiedigt de vele rechten die de burgers beetje bij beetje hebben verkregen, betaalt de schulden uit het verleden en houdt uiteindelijk weinig over om te innoveren en de toekomst voor te bereiden. Het voorbeeld van de Franse Gemeenschap is in dat opzicht leerrijk. Bijna 80% van haar begroting gaat naar de werkingskosten van het onderwijssysteem (en vrijwel uitsluitend naar de betaling van de lonen van de leerkrachten), 15% wordt aan de culturele sector en zijn subsidies uitgegeven. Op het eind van de rit zijn de marges waarover de politici vrij kunnen beschikken om hun beleidskeuzen uit te voeren uiterst beperkt.

Dit is geen nieuwe situatie. De overheid kon lange tijd (en vooral in de drie decennia na de Tweede Wereldoorlog) nieuwe initiatieven financieren via de marges die de groei opleverde. Dat model werkte zolang de groei in de buurt van 5% schommelde: terwijl de koek groter werd, kon men nieuwe projecten lanceren. Maar de lage groeiniveaus van de afgelopen jaren hebben dat radicaal veranderd. De koek wordt niet meer groter en onze politici staan voor een dilemma. Ofwel doen ze niets, ofwel nemen ze vaak onpopulaire maatregelen om de koek anders te verdelen. Vanwege het gewicht van de verworven rechten en de macht van het status quo in onze democratieën, kiezen ze vaak voor de eerste optie.

Daarnaast heeft de keuze voor de Europese monetaire integratie de begrotingssoevereniteit van onze staten ernstig aangetast. Zeker na de crisis kunnen de landen van de eurozone niet meer vrij beslissen hoe ze hun geld innen, uitgeven en investeren. Ze onderwerpen zich aan de collectieve discipline van het Stabiliteitspact en het onaantastbare evenwichtsprincipe. Zoals Italië nu ondervindt, is uit de pas lopen een hoogst hachelijk avontuur.

Het herstel van de begrotingscapaciteiten van de staat veronderstelt een gezamenlijke aanpak van elk van deze oorzaken. Eerst moet men trachten het aandeel van de ‘lopende’ uitgaven in de staatsbegroting terug te schroeven. De sociale en economische verworvenheden van het verleden mogen niet in het gedrang komen, maar men moet ze rationaliseren en aanpassen aan de eisen van deze tijd, zodat men meer kan investeren. Vervolgens moet men duurzame maatregelen nemen voor de bevordering van de groei en tegelijkertijd opnieuw nadenken over de manier waarop de vruchten ervan worden belast. Dat vereist een nieuw industrieel beleid, een hervorming van de belastingen op arbeid en kapitaal en een betere internationale fiscale coördinatie. Tot slot moet men proberen de begrotingsregels van de eurozone zo snel mogelijk te herschrijven. Het korset moet losser, om intelligente openbare investeringen en een modernisering van de lopende uitgaven aan te moedigen.

Onze staten zijn beetje bij beetje in beheerders veranderd omdat ze de begrotingsmiddelen missen die hen in staat zouden stellen om hogere ambities na te streven. De erfenis van het verleden wordt in stand gehouden en beheerd, maar de toekomst wordt onvoldoende voorbereid. Om de politiek weer de ambitie te geven om onze levens te veranderen, moeten de overheidsfinanciën onvermijdelijk anders worden aangewend. De mensen een nieuwe horizon voorspiegelen en beloven dat je hen erheen zult brengen, is mooi maar niet genoeg. Je moet jezelf ook de middelen geven om het te doen.