vrijdag 02 augustus 2019

Bestaat het concept van privéleven nog in het digitale tijdperk?

Op 25 mei 2018 is in de Europese Unie de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking getreden, met een vloed van e-mails in haar kielzog. De eerbied voor de privacy staat nu centraal in het digitale debat en reuzen als Apple en onlangs Google hebben – ook na een reeks schandalen – de bescherming van de persoonsgegevens van hun klanten in hun kernwaarden opgenomen.

Maar ondanks die vooruitgang op het vlak van de bescherming van het privéleven, blijft het internet een soort Wilde Westen dat het niet nauw neemt met de regels. Meer dan 80 % van de websites bevat trackers van derden die ons verkeer bespioneren, terwijl gegevensmakelaars (‘data brokers’) stilletjes onze gegevens verzamelen om ze aan reclamemakers te verkopen. En hoewel de situatie dankzij de wetgeving en de inspanningen van veel activisten, organisaties en onderzoekers verbetert, moet er nog veel gebeuren opdat de verzameling en het gebruik van digitale gegevens op een verantwoorde manier zouden verlopen.

Feit is dat de strijd voor de bescherming van de privacy, zoals veel vraagstukken van de digitale wereld, een heel nieuw probleem is, qua omvang en belang althans. Ook in het verleden hebben veel innovaties bezorgdheid over de privacy gewekt, maar met de intrede van de digitale technologieën, gekenmerkt door de toename van het rekenvermogen en van de mogelijkheden om informatie op te slaan, kan men met een buitengewoon gemak en op een ongeziene schaal onze persoonsgegevens verzamelen.

Het nieuwe van deze situatie heeft onder meer tot gevolg dat wij wettelijk en technisch nog niet opgewassen zijn tegen de uitdagingen die ze stelt. Een voorbeeld daarvan is in de AVG te vinden: de verordening is per definitie niet van toepassing op ‘anonieme’ gegevens, dus gegevens die niet aan een individu kunnen worden gekoppeld. Maar dat is een erg vage definitie en veel onderzoekers hebben aangetoond dat een heleboel in theorie ‘anonieme’ gegevens dat in werkelijkheid niet zijn. Al in 2012 bleek uit een studie van het MIT dat het in 95 % van de gevallen volstond om iemands positie op vier momenten in een periode van een jaar te bepalen om het traject van die persoon in dat van een miljoen anderen te herkennen. Deze studie met metadata over het telefoonverkeer is met een groot aantal andere gegevenstypes herhaald (aankopen met kredietkaarten, Netflix-geschiedenis enz.), altijd met hetzelfde besluit: ons gedrag is heel uniek en een kleine fractie van onze gegevens volstaat om ons opnieuw te identificeren, alsof we een soort digitale vingerafdruk achterlaten.

Een tweede gevolg, voor de burger, is de vraag of de strijd om de privacy wel de moeite loont. Een belangrijke vraag, die ik als onderzoeker over dit onderwerp vaak hoor, is: “Waarom moet ik mij tegen het verzamelen van gegevens verzetten als ik niets te verbergen heb?”

Het gangbare antwoord van activisten en auteurs is dat de verdediging van de privacy noodzakelijk is om minderheden te beschermen. De redenering “ik heb niets te verbergen en dus is spionage mijn probleem niet” is een egoïstische benadering. Maar een volgens mij bijzonder belangrijk argument is dat de constante monitoring van ons doen en laten ons onbewust beïnvloedt.

In 2014 toonde een studie van twee Amerikaanse onderzoekers aan dat het aantal opzoekingen op Google over voor de overheid of individuen delicate onderwerpen (bijvoorbeeld medische vragen), na de onthullingen van Snowden internationaal met ongeveer 10 % was gedaald. De monitoring door overheidsdiensten of onzichtbare trackers schrikt ons af en beperkt onze toegang tot informatie. Want dat is een van de rollen van de bescherming van de privacy: iedereen de mogelijkheid geven om zijn of haar mening te ontwikkelen, te delen en te nuanceren. In die zin is de privacy een van de pijlers van de democratie, een pijler waarvan we de kwetsbaarheid pas nu beginnen te beseffen.

Er is natuurlijk ook goed nieuws. De AVG is nog jong – amper een jaar – en er wordt hard gewerkt om ze in de praktijk te brengen. Maar ook al is de verordening een stap vooruit, we zullen nog veel veldslagen moeten winnen om ons recht op privacy te heroveren.

Florimond Houssiau
Burgerlijk Ingenieur in Toegepaste wiskunde
PhD student bij het departement Computational Privacy Group, Imperial College Londen