vrijdag 01 februari 2019

Aan de Belgische architectuurbureaus: "Practice what you preach"

Belgische architectuur is hip. Overal ter wereld staan onze architectenbureaus – vaak onder de hippere noemer van atelier of studio –  bekend als de meest krachtige, geëngageerde en innoverende vaandeldragers van hun industrie.

Cyrus Bohn is lid van de Vrijdaggroep en burgerlijk ingenieur-architect van opleiding (KU Leuven). Voor hij aan de slag ging als consultant bij Deloitte, werkte hij voor UN Habitat in New York.

Belgische architectuur is hip. Overal ter wereld staan onze architectenbureaus – vaak onder de hippere noemer van atelier of studio –  bekend als de meest krachtige, geëngageerde en innoverende vaandeldragers van hun industrie. Le Monde lauwert de jonge garde Belgische architecten als gewaagd en innoverend. Ook op de prestigieuze Architectuur Biënnale van Venetië valt het Belgisch paviljoen steevast in de smaak én in de prijzen.

In de projecten van deze architecturale ‘rising stars’ wordt steevast de nadruk gelegd op een sociale en inclusieve architectuur. Architectuur die past in haar context en die gentrificatie tegengaat - of toch tenminste in goede banen leidt. Een nobel doel dus.

Maar deze goednieuwsshow heeft een donker kantje. Zo werkt het gros van hun schijnzelfstandige ‘werknemers’ vlotjes 55 uur per week: zonder contract, sociaal vangnet of werkgarantie, voor een vergoeding die in de buurt komt van peanuts. Veel architect-stagiairs worden een uurloon uitbetaald onder het reeds zeer lage minimumbarema van de Orde van Architecten. Vanwaar komt deze schijnbare paradox tussen de 'inclusieve architectuur' en de precaire werkomstandigheden van haar ontwerpers?

Laten we beginnen bij het overaanbod aan kandidaat-architecten op de arbeidsmarkt. De grote hoeveelheid Belgische en onder andere Spaanse, Portugese en Italiaanse (stagiair-)architecten die op de Belgische architectuurmarkt solliciteren zorgt ervoor dat elke vacature vlot wordt opgevuld - hoe laag het aangeboden loon ook is.

Een mogelijke oplossing schuilt in het opkrikken van de moeilijkheidsgraad van architectuuropleidingen in Europa. Hierdoor zou de instroom van sollicitanten verminderen, de opleidingskwaliteit verhogen en ook de lonen noodgedwongen stijgen. Een mooi voorbeeld van een moeilijkere en kwalitatieve opleiding is die van ingenieur-architect gedoceerd aan de Belgische universiteiten. In deze opleiding worden alle knepen van het vak voldoende beklemtoond – zowel creatief als technisch.

Daarnaast zijn architectenbureaus onvoldoende geprofessionaliseerd en hebben hun werknemers en oprichters een nijpend tekort aan managementvaardigheden en financiële kennis. Dit terwijl hun takenpakket steeds toeneemt.  Zo heeft een grootschalig onderzoek van de KU Leuven aangetoond dat architecten de werkuren voor een project steevast onderschatten. Dat lijdt enerzijds tot de hoge werkdruk en lange werkdagen van de (stagiair-)architect en anderzijds tot een omgerekend uurloon dat ondermaats is in vergelijking met andere vrije beroepen.

Onderzoekt toont aan dat architecten de werkuren voor een project steevast onderschatten

Een toegenomen aandacht voor het strategisch, organisatorisch en financieel management van architectenbureaus tijdens de opleiding zou een grote stap vooruit zijn. Vandaag komt het klassieke curriculum neer op het opleiden van artiesten die niet weten hoe ze een bedrijf moeten leiden. Nochtans wordt bijna elke architect met deze thema’s geconfronteerd: een promotie in de architectuurpraktijk staat quasi altijd gelijk  met een toegenomen managementverantwoordelijkheid.

Architectenbureaus en hun vennoten moeten zichzelf ook in vraag durven stellen.

Maar de bureaus en hun vennoten moeten zichzelf ook in vraag durven stellen. Het zijn tenslotte zij die hun architect-stagiairs (onder)betalen en veel te hard laten werken zonder contract. Zich verschuilen achter het excuus dat een pas afgestudeerde (ingenieur-)architect nog onnoemelijk veel te leren heeft en dat de werkgever dus een vorm van opleiding voorziet – met bijhorend laag loon – is voorbijgestreefd daar dit ook voor elke andere startersjob geldt.

De schuld moet uiteraard niet enkel bij de architectenbureaus zelf gezocht worden. Ze gaan al te vaak gebukt onder een administratieve berg en de financiële druk van de architecturale wedstrijdcultuur met een hoge werkdruk en onzekerheid van inkomen als gevolg. Een extreem geval van deze wedstrijdcultuur is die van het Guggenheimmuseum in Helsinki (ondertussen gewonnen door het Franse Moreau Kusunoki). Aan deze wedstrijd hebben er in totaal 1.715 kantoren deelgenomen. De 1.714 kantoren die met lege handen naar huis gingen hebben in totaal meer dan 18 miljoen euro aan investeringen in rook zien opgaan. De website architectuurincompetitie.be toont aan de hand van een reeks ‘verloren’ projecten mooi aan hoeveel tijd en geld in dit soort wedstrijden wordt geïnvesteerd. Tevens is de rol van de architect vaak ondergewaardeerd en onderbetaald door de klant en staat haar positie binnen het bouwproces steeds meer onder druk.

Het valt te bemerken dat onder Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck, het tij – lichtjes – aan het keren is. Publieke wedstrijden worden steeds beter vergoed en er wordt vaker gewerkt met gesloten wedstrijden. Hierbij wordt de winnaar pas na verschillende stappen aangeduid en kunnen deelnemers hun risico spreiden. Tegelijkertijd blijft de vergoeding op de private markt (namelijk werken voor projectontwikkelaars) miniem en staat de meerwaarde van de architect in toenemende mate onder druk.

Architect mag dan het mooiste beroep ter wereld zijn, het is duidelijk dat de architectenbureaus nood hebben aan een shift in bedrijfscultuur. Dat start bij de verbetering van de opleiding, de herdefiniëring van hun businessmodel en een herpositionering van hun activiteiten binnen het bouwen.

Ook verschenen op Knack.be

Credits afbeelding: Design: Moreau Kusunoki Architectes