zaterdag 26 augustus 2017

Kunnen we het met minder universiteiten beter doen in de rankings?

Deze week kwam Times Higher Education (THE) naar buiten met haar jaarlijkse lijst van de 200 beste universiteiten ter wereld. Hoewel ons land met 4 universiteiten in de lijst prijkt

Door Yves-Alexandre de Montjoye, Thomas Dermine en Brieuc Van Damme leden van de Vrijdaggroep. Eveneens verschenen op knack.be op 8 september 2017.

fusion.jpg Deze week kwam Times Higher Education (THE) naar buiten met haar jaarlijkse lijst van de 200 beste universiteiten ter wereld. Hoewel ons land met 4 universiteiten in de lijst prijkt en de KULeuven op een verdienstelijke 47e plaats eindigt, wordt jaloers gekeken naar de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk die al jaren de universitaire rankings domineren. Sommigen stellen dan dat ons land te veel universiteiten telt en dat onze kennisinstellingen met minder concurrentie en meer specialisatie hoger in de lijstjes zouden staan. Dat is, zacht uitgedrukt, een merkwaardige hypothese. Want concurrentie tussen universiteiten verbetert hun prestaties, zo leren we uit het buitenland.

Uit een recente telling blijkt dat de hoofdstad van de staat Massachusetts met 6,8 miljoen inwoners niet minder dan 23 universiteiten herbergt: Boston University, Northeastern, Tuft University, enz., maar ook – op minder dan twee kilometer afstand van elkaar - twee van de beroemdste universiteiten ter wereld: het MIT en Harvard (respectievelijk nummers 5 en 6 volgens THE). Die gezonde concurrentie tussen de universiteiten leidt ook tot samenwerkingen zoals het befaamde Broad Institute tussen Harvard en het MIT rond genetica, of met de Boston Law School rond de bescherming van studenteninnovatie. Het maakte van de stad een internationaal expertisecentrum op het vlak van biotechnologie.

Dichter bij huis is London en omgeving een even interessant geval. Ook daar vindt men dankzij de concurrentie tussen de verschillende universiteiten, die nochtans grotendeels door de Engelse staat worden gefinancierd, op minder dan 150 km van elkaar de universiteiten van Cambridge en Oxford terug, maar ook het Imperial College en de University College London, die stuk voor stuk tot de 10 beste universiteiten ter wereld behoren. Hun geografische nabijheid en concurrentie tussen elkaar en zelfs hun onafhankelijke ‘colleges’, zoals Magdalen en Christ Church van de universiteit van Oxford, maken van Londen een van de meest innoverende regio’s ter wereld.

België en Vlaanderen zijn natuurlijk niet Boston of Londen, maar toch wordt regelmatig gesteld dat er bij ons te veel universiteiten zijn. Tot voor kort was de invloedsfeer van een universiteit in ons land goed geografisch afgebakend, maar met de recente universitaire netwerken die ver buiten de heimat uitbreken, opperen sommigen voor een strikt territoriale scheiding van de universiteiten en hun netwerk. Sommigen wensen liever niet met elkaar te moeten vechten voor de studenten binnen eenzelfde regio. “Er is te veel concurrentie tussen de universiteiten” liet kandidaat rector voor de UGent Rik Van de Walle zich recentelijk nog ontvallen in De Standaard. Geografische nabijheid van concurrerende instellingen zou tot steriele concurrentie leiden, hetgeen een van bovenaf gestuurde planning noodzakelijk zou maken opperen sommigen. We zijn het daar niet mee eens.

In de eerste plaats is een territoriale scheiding in een regio die men in minder dan twee uur met de trein kan doorkruisen een absurd idee. De Vlaamse universiteiten trekken studenten uit het hele land aan, die zowel op basis van de pedagogische keuzes en specialisatiemogelijkheden van elke universiteit als wegens de geografische nabijheid ervan een keuze maken. Indien de concurrentie kan spelen binnen een zorgvuldig uitgewerkte regelgeving, die erop toeziet dat de universiteiten hun opdrachten op het vlak van onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening vervullen, stimuleert dat de kwaliteit van de universiteiten. Op die manier kunnen ze innoveren, in het bijzonder op het vlak van nieuwe onderwijsmethodes, zoals MOOC’s, en een netwerkeffect creëren zoals in Londen of Boston.

Muren optrekken waarvan is gebleken dat ze poreus zijn, is des te meer achterhaald omdat de echte concurrentie zich naar het internationale toneel verplaatst. Wetenschap is per definitie een internationaal gegeven, en onderzoekers worden steeds mobieler en zijn ook bereid om te emigreren. Die mobiliteit blijkt uit tal van statistieken, waarvan de opvallendste uit Stockholm komt. Toen waren de 6 Amerikaanse Nobelprijswinnaars stuk voor stuk wetenschappers die in het buitenland zijn geboren (wat sterk indruist tegen het politieke discours van Donald Trump). Die mobiliteit beperkt zich echter niet langer tot wetenschappers alleen. In het Imperial College in Londen komt reeds 67 % van de bachelor- en masterstudenten uit het buitenland. Aan het MIT heeft 42 % van de promovendi een internationale achtergrond, en het merendeel van de resterende 58 % komt uit een andere staat dan Massachusetts. Ook in België deinzen steeds minder studenten – van wie de ouders doorgaans over meer financiële middelen beschikken – ervoor terug om na hun bachelor in het buitenland te gaan studeren.

In die context is het hoog tijd om, in plaats van te ruziën, samen te werken aan een plan om onze universiteiten te helpen hun internationale uitstraling te verbeteren. We moeten eerlijk en zonder taboes de moeilijke kwestie van de financiering van onze universiteiten durven aan te pakken. Zonder in details te treden, vinden we het verontrustend dat de financiering per student aan de Belgische universiteiten de afgelopen 30 jaar gestaag is afgenomen, met gesloten enveloppe, terwijl landen als Duitsland 10 jaar geleden massaal begonnen te investeren om hun beste universiteiten op de internationale scène te krijgen. Een ‘Excellence Initiative’ dat reeds vruchten begint af te werpen.

Onze universiteiten zijn de beste basis om onze aanwezigheid in de kenniseconomie te garanderen, en hebben altijd al de rol van sociale ladder gespeeld. We denken met trots terug aan de befaamde Solvay-conferenties, die omstreeks de tweede industriële revolutie, tussen 1911 en 1927, in Brussel rond Ernest Solvay de grootste wetenschappers van die tijd samenbrachten (met onder meer Marie Curie, Niels Bohr, Erwin Schrödinger en Albert Einstein). Doordat die conferenties in België plaatsvonden en er in het kielzog ervan vooraanstaande onderzoekscentra ontstonden, kon ons land uitgroeien tot pionier in veelbelovende industriële sectoren, die tal van banen opleverden en nog steeds onze welvaart verzekeren. Aan de vooravond van een nieuwe industriële revolutie, het veelbesproken ‘tweede machinetijdperk’, zal de uitmuntendheid van onze academische instellingen essentieel zijn om de industriële overgang te begeleiden en de stabiliteit van de werkgelegenheid en van ons sociaal model te verzekeren. Een strijd en opvattingen uit het verleden mogen dat streven niet in de weg staan.

Als we willen dat onze universiteiten verder aansluiting vinden bij de absolute wereldtop, zullen ze daar in de eerste plaats een sterk mandaat en navenante financiering voor moeten krijgen. Concurrentie zal hen daarin stimuleren in plaats van belemmeren.